Extra verhalen

De Elfstedentocht van 22 januari 1848

Op 22 januari 1848 reden twee Friese schaatsers op één dag langs de elf steden van hun provincie. Een paard had voor diezelfde afstand veertig uur nodig.

Voordat in 1909 de eerste officiële Elfstedentocht werd gereden, kwam het al regelmatig voor dat individuele schaatsers binnen 24 uur op eigen gelegenheid langs alle Friese steden reden. Zo ook in de winter van 1848 met Douwe Haantjes Jouwstra en Klaas Simons de Jong, wat de nationale pers haalde.

Uit de slotalinea’s van die verslagen bleek duidelijk dat er vóór de introductie van de auto er geen sneller vervoermiddel was dan de schaats. Afstanden, die onder normale omstandigheden een uur reizen kostten, werden door deze schaatsers afgelegd in 24 minuten – en dat 200 kilometer lang!

Hieronder het letterlijke bericht uit onder meer De Amsterdamsche Courant, De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant en De Opregte Haarlemsche Courant.

‘Op den 22 Januarij jl., des morgens vijf uur, zijn van het dorp Huins uitgereden, Douwe Haantjes Jouwstra, woonachtig te Baard, en Klaas Simons de Jong, van Huins, benevens nog twee andere reizigers.

De reisroute, welke zij gevolgd hebben, was van Huins op Leeuwarden en Dockum, toen terug op Leeuwarden, vandaar op Sneek, IJlst, Sloten, Stavoren, Hindelopen, Workum, Bolsward, Harlingen en verder op Franeker, alwaar zij des avonds om half acht uur aankwamen, terwijl zij eindelijk, ten negen uur, te Huins arriveerden; zoodat zij in een tijdsverloop van zestien uren, alle de steden van Friesland hebben bezocht. De betrekkelijke afstand welke zij hebben afgelegd is nagenoeg 40 uren gaans, zoo dat zij gemiddeld een uur gaans in 24 minuten hebben afgelegd.

De reizigers hadden in den morgen nog al te kampen met harden tegenwind, maar gelukkig was het ijs, over het geheel genomen, tamelijk goed en de wegen waren goed gebaand. Twee der reizigers hebben evenwel dezen togt niet geheel mede kunnen doen, uit hoofde zij eenig beletsel aan hunne voeten kregen, zoodat zij genoodzaakt geweest zijn, des nachts te Bolsward te verblijven; Jouwstra en de Jong hebben echter het doel hunner reis volbragt, zonder eenig letsel bekomen te hebben, en daardoor getoond, dat de Friezen niet alleen in snelheid op schaatsen maar ook in het volhoudingsvermogen, voorzeker huns gelijken niet hebben.

De snelheid intusschen van 24 minuten in een uur, levert niets buitengewoons op, dewijl goede schaatsrijders, afstanden van hoogstens 8 á 10 uren, dikwijls in 15 minuten per uur afleggen, maar zulks voorzeker gedurende 16 uren niet kunnen volhouden. Als men daarbij in aanmerking neemt dat de krachten van een paard niet verder gaan dan om deze afstand van 40 uren gaans in minstens twee dagen af te leggen, zoo moet men de kracht van volharding van bovengemelde reizigers bewonderen.’