Extra verhalen

Het verhaal van Coen de Koning over de Elfstedentocht van 1912

Op 7 februari 1912 werd de Elfstedentocht gereden. Coen de Koning was de winnaar en zette daarna zijn herinneringen op papier.

Alhoewel de eerste Elfstedentocht al in 1909 werd geschaatst, was de editie van 1912 de eerste die door de Vereniging de Friesche Elfsteden werd georganiseerd. Er stonden 38 wedstrijdrijders aan de start, die reden onder slechte condities van zacht ijs met watervorming. Coen de Koning uit Arnhem won de tocht.

De Koning schreef voor zijn familie zijn levensverhaal op. Hierin vertelde hij onder meer hoe hij in 1912 de Elfstedentocht won.

Coen de Koning vertelt over 1912

In 1912 werd het kampioenschap van Overijssel in Deventer gereden en met mijn broer Jac ben ik daarnaartoe gegaan. Ik zal kort zijn. Ik werd op de 500, 1500 en 5000 meter eerste. Mijn broer Jac werd tweede. Het begon te dooien en omdat de volgende dag de Friese Elfstedenwedstrijd zou worden gereden, stelde ik mij telefonisch in verbinding met het bestuur van de Friese Elfsteden en vroeg of deze zou doorgaan, waarop ik een bevestigend antwoord mocht ontvangen. Dus ben ik op de trein gestapt naar Leeuwarden. Mijn broer ging naar huis en ik kwam met de laatste trein in Leeuwarden aan en ging direct naar het bestuur en dat deelde mij mee dat we ‘s morgens zouden starten.

Ik ging naar mijn hotel, hotel De Kroon van eigenaar Regnerie, die mij vlug mijn kamer wees en beloofde mij om half vier te wekken. “Desnoods gooi ik je het bed uit, dus de slaapkamer niet afsluiten.” En waarlijk, het was nodig, want ik had mijn bed niet vóór negen uur verlaten, als de hotelhouder mij niet van het bed had gehaald. Ik had van de Friese Elfstedentochtwedstrijd nooit eerder gehoord. Jonkheer Coehoorn van Sminia had mij enige tijd tevoren geschreven dat als deze Friese Elfstedentocht wedstrijd werd gereden, dat hij dan graag had dat ik daaraan mee zou doen. Ja, hij zou het zelfs op zeer hoge prijs stellen. Omdat ik het Jonkheer Coehoorn van Sminia niet wilde weigeren, heb ik toen ingeschreven, maar ik was op niets voorbereid. Ik leende een rugzak en daar deed ik een paar reserveschaatsen in. Geen noren, maar geleende Friese schaatsen. Wat brood, dat elke hotelgast die aan de tocht of wedstrijd deelnam, meekreeg van de hotelhouder.

Tegen half vijf ‘s morgens kwamen we op de plaats aan waar we moesten zijn om ons nummer en verdere paperassen die wij onderweg nodig hadden te halen. Bij het verlaten van het hotel moesten wij tot onze spijt ondervinden dat het regende. Hoewel het niet erg hard regende, was het een teken dat het niet had gevroren. Erg optimistisch waren wij geen van allen en al heel gauw kwam in mijn gedachten op: “Zou die wedstrijd wel doorgaan?” Op de verzamelplaats aangekomen, was het al tamelijk druk en allen keken wat bedrukt. Volgens plan zouden we ‘s morgens om vijf uur starten, maar het bestuur zat nog steeds in conferentie en daar toch moest de beslissing vallen.

Tegen vijf uur kwam de voorzitter de zaal in en deelde ons mee, dat, al was het weer geen ideaal weer, de wedstrijd toch kon doorgaan. Tenminste, wat het ijs betrof. Van overal hadden ze bericht ontvangen dat het ijs sterk genoeg was. Alleen was er veel water op het ijs. En toen werd er besloten om de rijders zelf te laten beslissen of de wedstrijd en tocht doorgang zouden hebben. Ja of nee. De rijders die vóór waren, moesten rechts van de zaal gaan staan en die er tegen waren links. De uitslag was: de wedstrijd en tocht gingen door.

Dit had veel tijd in beslag genomen en zodoende werden wij om zes uur ‘s morgens losgelaten. Tenminste, de wedstrijdmannen. Daar er veel water op het ijs was waar we moesten afreizen, werd ons bevolen om de schaatsen in de zaal onder te binden. Dat werd door iedereen gedaan en zo vertrokken we met de hardrijders. Zonder dat ik het wist, was Jonkheer Coehoorn van Sminia naar de Dokkumer Ee gewandeld. Ver vóór wij zouden vertrekken. En toen de stoet zich in beweging zette, was het al direct jakken van jewelste. Vooral zij, die de baan en weg op hun duimpje kenden. Opeens hoorde ik een stem die riep: “Ben jij dat, De Koning?” Waarop ik antwoordde: “Ja.” “Nu, goede reis hoor.” Ik vroeg nog hoeveel er al gepasseerd waren en toen zei dezelfde stem: “Zes rijders zitten op kop en je kunt ze best inhalen.” Ik zette wat aan en het water spatte mij in het gezicht. Na vier à vijf minuten had ik de voorste zes te pakken. Ik bleef ze volgen, want het was erg donker op de Dokkumer Ee.

Ik moet u nog even melden, dat, toen ik de eerste stap op het ijs zette, mijn schaatsen en schoenen onder water stonden en dat ijskoude water in je schoenen, dat was geen pretje. O, o, wat was dat koud. Maar ja, ik had het niet alleen. Allen, zonder uitzondering, hadden deze waterproef moeten ondergaan. Wel een troost, maar een schrale.

Toen we Dokkum hadden bereikt, hadden we reeds 24 kilometer van de 205 kilometer afgelegd en na getekend te hebben, gingen we weer direct terug naar Leeuwarden. Keizer, Ferwerda, Swierstra en mijn persoon en nog twee onbekende rijders. We kwamen op de terugweg nog vele wedstrijdrijders tegen en later onder de rook van Leeuwarden de tochtrijders. We waren met de 6 man het eerste in Leeuwarden terug en bij de controlepost was Jonkheer Coehoorn van Sminia aanwezig. Die kwam met een gloeiend heet glas melk aandragen en omdat de anderen weer vertrokken, wilde ik met hen mee. Maar ik moest eerst mijn glas melk uitdrinken. Eer ik dit had gedaan, waren er verschillende wedstrijdrijders al gepasseerd. Ik dronk hete melk, maar ik stond op hete kolen. Ik wilde weg. Er waren al 20 rijders de post in Leeuwarden gepasseerd toen ik afreed. Ik telde geregeld als ik een concurrent onderweg passeerde en af en toe kreeg ik een bekende van mij te pakken.

Eén van hen was S. Bouma, een broer van Arie Bouma, met wie ik in Davos twee winters had geoefend. Ik vroeg hem hoeveel rijders er nog vóór mij waren en hij zei mij: “Nog 6.” Dus ik ging daar maar weer op af. Nadat ik drie rijders had gepasseerd waren er nog drie vóór mij. Even vóór Franeker haalde ik nog twee rijders in. Dit waren Ferwerda en Swierstra. Ik vroeg voor alle zekerheid hoeveel er nog vooruit waren en toen kreeg ik ten antwoord: “Eén rijder.” Deze heette Keizer. Ziezo, nu kon ik gerust zijn. In Franeker bij de controle kreeg ik op mijn vraag wie er reeds gepasseerd waren te horen dat Keizer twee minuten vóór mij had getekend. Zonder iets te gebruiken, ging ik deze vluchteling na en in Harlingen had ik hem te pakken. We moesten in Harlingen een klein stukje op onze schaatsen lopen, daar wij niet onder een brug door konden.

Daarna gingen we met ons tweeën naar Bolsward. Het was water en nog eens water en daar waar het ijs droog was, was het niet om te rijden, zo zacht was het ijs. Dus zochten wij maar steeds weer het water op, hoewel dat erg koud was. Maar het rijden ging beter. Daar ik in tricot broek en trui reed, was ik geweldig koud geworden. De rugzak werd zo zwaar, het was of deze met stenen was gevuld in plaats van met een paar reserveschaatsen en wat brood. Ik moest volhouden. Ik dacht: “Als ik moe ben, dan is een ander ook niet fris meer.” Toen kwamen we bij de centrale post in Workum. Ik moet zeggen, Coen was afleggens klaar en als toen Keizer direct was weggegaan, was ik niet bij machte geweest om hem te volgen.
Ik ging bij de kachel zitten en bestelde een bord snert. Daarna bestelde ik er nog een en toen vroeg ik om een oud colbertjasje. Al was het nog zo oud, ik zou dat jasje direct na mijn aankomst in Leeuwarden terugzenden en de geleende rugzak en geleende reserveschaatsen moesten ze dan maar in onderpand nemen. En ja hoor, één van de mensen die in het café waren, leende mij zijn colbertjasje, welk ik direct aantrok. Warm en wel. Keizer maakte geen aanstalten om weg te gaan. Dat was fijn, vond ik, want ik was mijn inzinking nog lang niet te boven. Na ongeveer 10 minuten, het kan ook een kwartier zijn geweest, kwamen Ferwerda en Swierstra binnen. Ik schrok niet, maar Keizer was niet erg rustig en ik dacht dat hij nu direct zou opstappen.

Dat vond ik voor mij nu niet goed. Maar ik dacht: “Dan ga ik toch maar mee.” Maar gelukkig maakte hij geen aanstalten, totdat Ferwerda en Swierstra gingen opstappen. Met Keizer moest ik wel meegaan naar Hindeloopen. Dan nam de een, dan weer een ander de kop en als het mijn beurt was, dan reed ik zo dat het niet lang duurde of ze namen van mij de kop over. Het ging hen te langzaam. Ik bleef hen volgen, al kostte het mij in het begin enorm veel moeite. In Hindeloopen dronken wij allen een kop chocolademelk en aten een stuk koek. Toen naar Stavoren hetzelfde spelletje. Kop nemen en achteraanrijden, maar steeds als ik de kop nam, verflauwde de snelheid en daarom gingen ze weer direct overnemen. Toen wij in Stavoren een kop chocolademelk hadden gedronken en een koek hadden gegeten, gingen we weer op reis naar Sloten over Balk. Nu begon ik weer de oude Coen te worden. Het stuk van Stavoren naar de Galamadammerbrug was vreselijk. Tot over de knieën in het water. Dat kwam omdat een watermolen aan het malen was en al dat water op het ijs werd gestuwd. Wij waren met ons vieren, Ferwerda, Keizer, Swierstra en ik. Bij de Galamadammerbrug moesten we oppassen, want het ijs was daar slecht en ver uit elkaar konden wij er nog over en verder naar Balk. We waren Balk gepasseerd, toen er een vijfde man bij kwam, maar dat was geen concurrent en hij reed met ons op naar Sloten. Tussen Balk en Sloten kreeg Swierstra pech aan zijn schaats, zodat we nog met drie concurrenten op Sloten aanstormden.

Keizer vroeg of hij het eerste in Sloten mocht aankomen en Ferwerda en ik vonden het goed, maar vertrouwen deed ik het niet. Daar ik nu wel door de grootste inzinking heen was, vond ik het niet gewenst om te spurten. Keizer kwam het eerst in Sloten, maar tussen hem en mij was er een verschil van een handdikte, je kunt nooit weten.

Toen we in Sloten waren, deelde de burgemeester van Sloten ons mee dat wij, Ferwerda, Keizer en ik ieder een zilveren schaatsje kregen. Aanvankelijk was er voor de eerstaankomende in Sloten een zilveren schaatsje als prijs uitgeloofd.

Dat alles maakte mij erg wantrouwig tegenover mijn concurrenten. Keizer was van deze prijs op de hoogte. Dus het was oppassen en uitkijken. De niet-concurrent ging ook weer meteen met ons drieën het Slotermeer op en we waren op weg naar IJlst.

Op het Slotermeer reed ik naast die niet-concurrent. Later bleek het Klinkhamer te zijn, een schipper. En daar ik heg noch steg wist, vroeg ik hem of hij de weg naar IJlst, Sneek en Leeuwarden goed kende. Ik kreeg een bevestigend antwoord. “Zou jij ons daarheen willen gidsen?” Waarop hij zei: “Ja, graag.” Ik vroeg wat hij daarvoor moest hebben. “fl. 2,50,” deelde hij mij mee. Ik ging naar Ferwerda en Keizer en vroeg of zij daar ook aan wilden bijdragen. Ik kreeg ten antwoord: “We hebben geen gids nodig, wij kennen de weg zelf wel.”

Toen ging ik naar de gids terug en deelde hem mee dat hij mij moest gidsen. Ik kende de weg helemaal niet en ik voegde eraan toe: “Als ik als eerste in Leeuwarden aankom, krijg je fl. 5,00.” Wij waren toen nog alle vier bij elkaar.

Mijn gids Klinkhamer zette er direct een flink tempo in en ik volgde hem. Bij Woudsend moesten we het dorp doorlopen, daar het ijs daar niet betrouwbaar meer was en toen zag ik noch van Ferwerda noch van Keizer enig spoor. In IJlst aangekomen, vertrokken we direct over het Sneekermeer naar Sneek. Ook hier was van Ferwerda en Keizer niets te bespeuren. Maar nu moest ik ongeveer 10 minuten lopen, omdat de grachten in Sneek niet betrouwbaar bleken te zijn. Dus de noren uitgedaan en gevraagd om een paar sloffen. Na op de controlepost nog wat te hebben gebruikt, kreeg ik een paar gummi overschoenen te leen, totdat ik weer op het ijs kwam. Bij het verlaten van de controlepost was er nog niets te zien. En ik zal zowat vijf minuten hebben gelopen, toen ik achter mij een leven van jewelste hoorde. En ja hoor, daar hoorde ik roepen: “Ferwerda, daar gaat De Koning.” Hij had al hard gelopen, maar nu deed hij er nog een schepje bovenop, zodat hij even eerder op het ijs was dan ik. Hij bond zijn Friese schaatsen onder en was eerder klaar dan ik. Omdat mijn kousen nat waren en mijn leren schoenen niet minder, vlotte dit niet zo erg. Maar ik maakte mij geen ogenblik zenuwachtig, hoewel mijn gids mij maar aanspoorde om wat vlugger te zijn. Voor mij was het hetzelfde. Ik deed kalmaan en toen ik klaar was, was Ferwerda minstens 500 à 750 meter vooruit.

Mijn gids wilde er direct een flinke spurt in zetten, maar ik dacht er anders over. Ik had mijn hersenen laten werken en ging kalm door, zoals ik gewoon was de 10.000 meter te rijden. Een rustige, lange slag, maar één die toch opschoot zonder je te vermoeien. Wat had Ferwerda gedaan, zo dacht ik onder het rijden. Van IJlst naar Sneek had hij alles gegeven en Keizer losgereden. Geen rust genomen in Sneek en toen is de goeie man gaan hardlopen na ongeveer 10 uur in het water te hebben gereden. Nee, dat kan geen mensenkind zich permitteren, dus Ferwerda ook niet. Na ongeveer vijf kilometer te hebben gereden, had ik hem bij de Dillen al ingehaald. Ik deelde mijn gids mee dat hij achter mij moest rijden en als ik er tussenuitkneep, moest hij mij direct volgen. Ik probeerde eerst wat Ferwerda kon en dat deed ik zeer onopvallend. Maar elke keer als hij mij zag, ging hij ervandoor. Totdat ik het tijd vond om nu definitief de leiding op te eisen. We waren ongeveer een kilometer of 8, 9 van Sneek verwijderd. Ik ging met een flinke vaart Ferwerda voorbij en hij kreeg geen kans achter mij te komen. Zienderogen verloor Ferwerda terrein. En daar wij in plaats van onder een brug door te rijden om die brug moesten heenlopen, zag ik dat Ferwerda mij nooit meer kon inhalen. Hij was gewoon uitgereden.

En zo kwam ik in Leeuwarden als eerste binnen in de tijd van 11 uur en 40 minuten. Ferwerda kwam vijftien minuten later, daarna Swierstra die nog kans had gezien Keizer op het laatst voorbij te komen. Mijn gids was in zijn nopjes, maar ik niet minder. Maar tjonge, jonge, wat is het een afstand, 205 kilometer en dan in een waterballet.

Ik ging direct naar mijn hotel waar de hotelier al een warm bad had klaargemaakt en Jonkheer Coehoorn van Sminia zorgde ervoor dat mijn vrouw op de hoogte werd gesteld van mijn overwinning. Om elf uur stond ik op. Ik had niet geslapen, maar was goed uitgerust en na wat gegeten te hebben, ben ik naar de Harmonie gegaan, waar de prijsuitdeling om 12 uur ‘s nachts plaats zou vinden. In de hal van de Harmonie liep ik de sportjournalist van de Nieuwe Rotterdammer tegen het lijf en deze hield mij staande.

Deze vertelde mij dat Ferwerda bij het bestuur van de Friese Elfstedenwedstrijd een protest tegen mij had ingediend. Ik had deze wedstrijd niet eerlijk gewonnen. Het protest luidde dat ik mij had laten trekken door mijn gids. Ik verzekerde hem dat ik mij door niemand had laten trekken, dat ik zelfstandig de wedstrijd had uitgereden en volgens mij waren het grote leugens. Na dit onderhoud ging ik de zaal binnen en ik bemerkte een gedrukte stemming. Als er een gewoon mens binnengekomen zou zijn, kon het niet stiller zijn geweest. Maar het liet mij ijskoud en ik nam plaats op een stoel ver van de anderen verwijderd.

Na enige tijd, het duurde voor mij wel uren, opende de heer Hepkema, voorzitter van de Elfstedenvereniging, de feestelijke vergadering. Hij gaf een algemene indruk van de dag die achter ons lag. Hij sprak er zijn verwondering over uit dat dit waterfestijn nog goed geslaagd was en bracht aan allen eer die aan het welslagen van deze wedstrijd en tocht hadden bijgedragen.

Daarna ging hij over tot de prijsuitdeling. Ik dacht: “Nu zal het komen.” Maar nee hoor! De rijder C.C.J. de koning werd uitgeroepen als winnaar van deze wedstrijd en ik werd verzocht om op het podium te komen, waaraan ik direct voldeed. Ook toen werd ik door de aanwezigen met geen applaus begroet. Het was stil, ijzig stil. De voorzitter wenste mij geluk met het behaalde succes en wilde mij de gouden medaille ter hand stellen. Ik weigerde hem te accepteren en sprak als volgt tot het bestuur en het publiek: “Geacht bestuur, dames en heren. Ik heb vele overwinningen behaald en alle prijzen heb ik in een eerlijke strijd gewonnen. Ik heb een kast met medailles waar geen smetje aan kleeft. Doch als ik deze prijs aanvaard, dan rust daar een smet op. Want al heeft het bestuur het protest van de heer Ferwerda afgewezen, er zou voor mij toch een smet aan blijven kleven. Daarom accepteer ik deze prijs niet. Op voorwaarde dat er een grondig onderzoek door het bestuur zal worden ingesteld en als blijkt dat ik eerlijk heb gewonnen, waaraan ik geenszins twijfel, dan zal ik de prijs gaarne ontvangen. Maar dan moet ik in de drie grootste dagbladen van Nederland gerehabiliteerd worden.” En zo ben ik zonder prijs van het podium gegaan. Ik heb later nog even het bestuur gesproken en zij waren mijn mening geheel toegedaan. Ik heb hen op het hart gedrukt dat dit onderzoek met de meeste nauwgezetheid moest geschieden en dat hebben ze dan ook gedaan.

Na vier maanden kreeg ik mijn prijzen thuisgestuurd en hebben ze mij in de drie grootste Nederlandse dagbladen gerehabiliteerd. Maar zelf was ik niet tevreden. Er knaagde wat in mijn binnenste. Ik wilde zo spoedig mogelijk revanche nemen, maar ik moest daarop vijf jaar wachten. En ik bleef ook die volle vijf jaar in training. Elke dag anderhalf uur kamergymnastiek, niet roken en geen spiritualiën. Ik moest mij wreken. Vooral op Ferwerda, want zonder bewijzen, zonder enig motief had hij de wedstrijd van de Friese Elfsteden voor mij vergald. Niet wat mijzelf betreft, maar ik was in veler ogen geen eerlijke sportman en dat vond ik verschrikkelijk.

Een paar jaar daarna logeerde ik als vertegenwoordiger in Vollenhoven. Na het diner ging ik aan een tafeltje mijn rapporten en orders uitschrijven. Aan de stamtafel zaten enige schippers en zoals dat gaat, waren ze met elkaar in gesprek. Doordat ik mijn aandacht nodig had voor mijn orders en rapporten, heb ik het gesprek niet gevolgd. Maar opeens hoorde ik er één zeggen: “Je kunt zeggen wat je wilt, aan de Friese Elfstedenwedstrijd zat een luchtje.” Ik deed net of ik nog schreef, maar ik spitste mijn oren. Elk woord over deze Friese Elfstedenwedstrijd deed me pijn in mijn hart. Ik kon het wel uitschreeuwen: “Je liegt, je liegt.” Maar ik bedwong mij en deed mijn mond niet open. Ik bleef aan mijn tafeltje zitten schrijven, hoewel het niet wilde vlotten. Zou de hotelier mij gekend hebben of een van de stamgasten? Ik weet het niet en ik heb daar later niet naar geïnformeerd. Maar steeds groeide bij mij het verlangen om mij te wreken.

Huldiging

Daags na de Friese Elfstedenwedstrijd ging ik om ongeveer twee uur weg uit Leeuwarden en ik was om ongeveer half acht in Zutphen. Tenminste dat vernam ik later, want ik was na Zwolle in de trein in slaap gevallen. Daar je in een trein nooit zo vast slaapt als in een bed, werd ik half wakker door het openen en sluiten van wagondeuren. Omdat er schijnbaar in mijn coupé veel mensen instapten, vroeg ik half slaperig de deur te sluiten, want ik kreeg het koud.

De deur werd gesloten en ik zette mijn tukje weer voort. Even daarna stootte een reiziger mij aan en nog eens en nog eens. Eindelijk werd ik geheel wakker en ik was er niet erg blij mee dat die medereiziger mij stoorde in mijn slaap. Ik keek dan ook deze brutale reiziger aan en was zeer verbaasd toen dit mijn bovenbuurman, de heer Ermes uit Arnhem, bleek te zijn. Hij feliciteerde mij met mijn overwinningen. Toen ik de coupé verder rondkeek, zag ik tot mijn grote verbazing ook mijn vader zitten en mijn kwade bui was toen geheel gezakt. Zeer belangstellend vroeg ik hoe hij in de trein was gekomen en waar hij vandaan kwam. Mijn vader zat geheimzinnig te lachen.

Toen we Velp waren genaderd, haalde mijn bovenbuur een grote zwarte lap tevoorschijn en wilde deze op mijn borst spelden. Toen ik zag wat hij wilde, bedankte ik er hartelijk voor, want op deze zwarte lap had hij al mijn medailles vastgemaakt en ik moest volgens hem deze onderscheidingstekens zichtbaar dragen. Doch hoe hij ook praatte wat of hij al niet deed, ik weigerde pertinent en verzocht hem deze lap zelf maar op zijn jas vast te maken, want ik deed het niet. Ondertussen waren we op het station te Arnhem gearriveerd.

Wat mij toen overkwam, dat was geweldig. De trein stond stil en de deur van mijn coupé werd bestormd en voor ik het goed en wel wist, hadden ze mij uit de coupé gehaald en gaven mij geen tijd mijn koffer en schaatsen uit het net te halen. We kwamen met de trein op het tweede perron aan en hoe ik door de tunnel van mensen op het eerste perron ben gekomen, kan ik mij tot op heden nog niet herinneren. Gelopen heb ik niet, dat weet ik zeker.

Toen we op het eerste perron waren beland, moest ik mee naar de eersteklasse-wachtkamer en daar stonden enige heren en dames mij op te wachten. Dit waren besturen van verschillende sportverenigingen. Ook de loco-burgemeester van Arnhem was er, daar de burgemeester zelf die avond verhinderd was. Na enige ogenblikken van kalmte werd ik door verschillende heren toegesproken en werden mij twee kransen om mijn schouders gelegd.

Daarna werd ik beleefd verzocht om plaats te nemen in een van de vele rijtuigen en zodra ik mij buiten het station had begeven, begon een muziekkorps met een fanfare. Toen we allen waren gezeten, zette de stoet met het muziekkorps voorop zich in beweging. Het was zwart van de mensen en overal waar ik langskwam, werd ik koninklijk begroet. Ik herinner me nog een liedje van enkele regels en wel dit, dat jongelui van Arnhem geregeld zongen, namelijk: “De Koning die is kampioen, daar kunnen de Friezen niets aan doen.” Na ongeveer een uur in de stad Arnhem te hebben rondgereden, zetten ze mij bij mijn woning in de Jacob Cremersstraat af. Ze hadden mijn huis zelf geheel versierd en met vetpotjes was mijn woning verlicht. Ik heb zo goed en zo kwaad als dat ging allen bedankt voor zoveel hulde en toen kon ik mijn huis betreden, waar ook mijn moeder aanwezig was. Na mijn vrouw, moeder en de kleine Sjaak en mijn dochtertje Cor te hebben omhelsd ben ik eens rustig gaan zitten om van deze geweldige ovatie wat te bekomen.

De loco-burgemeester, alsmede enige bestuursleden van diverse verenigingen, verzocht ik om even binnen te komen en ik vroeg aan mijn vrouw om de heren een glaasje wijn in te schenken. Ik viel van de ene verbazing in de andere, want er werd geen wijn, maar champagne geschonken. Ik vroeg er maar niet naar hoe ze nu daar aankwamen, maar ik vond mijzelf rijk nu ik dat aan de heren kon aanbieden.

Ik geloof dat het ongeveer half één was geworden toen de laatste man de deur uitging en toen ik alleen met mijn vrouw en mijn ouders was, vroeg ik: “Maar hoe komen jullie aan die champagne?” Mijn vrouw had ‘s morgens een kistje ontvangen van mijn toenmalige patroon, de heer Simonis uit Den Haag en dit kistje bleek 24 flessen champagne te bevatten. En mijn vrouw dacht, toen ik om wijn vroeg voor de heren die ik had uitgenodigd, ze dan maar deze champagne voor te zetten.

‘s Zondags daarop hadden mijn ouders me verzocht even naar Edam te komen. Dit zouden ze graag willen en ik heb aan hun verzoek gevolg gegeven. Ook daar hebben mijn oude stadgenoten mij een hulde gebracht en ben ik op het stadhuis toegesproken door de burgemeester H.J. Calkoen en zo was dit roemrijke jaar weer voorbij en ging alles weer zijn gewone gang.