Extra verhalen

Het verhaal van Kees Bovée over de Elfstedentocht van 1963

Op de koudste dag van de koudste winter van de vorige eeuw was de meest legendarische Elfstedentocht. Kees Bovée was de enige schaatser van onder de rivieren die de finish bereikte. Zijn verhaal is vreselijk.

Hoofdstuk negen van 8070 Dagen gaat over de winter van 1963, die een hele eeuw doormidden heeft geknipt. Het opent met een fragment uit het verhaal van Kees Bovée, zoals in 2003 werd vastgelegd in De Mannen van ’63. Het totale verhaal van de Brabander staat hier. Er bestaan amper geschreven herinneringen waarin de ellende van de Elfstedentocht beter is vastgelegd dan bij Bovée.

Meedoen morgen wordt erg, maar thuisblijven is nog veel erger.

Kees Bovée en de Elfstedentocht van 1963

Kees Bovée in 1963

Ik ben op 8 februari 1932 geboren in Halsteren in Noord-Brabant. Mijn vader was eerst boer en werd later ambtenaar. We waren een sportieve familie en we mochten doen wat we wilden aan sport. Bij mij is het schaatsen geworden. We waren met vier kinderen. Ik was de oudste. Mijn jongste broer was veel sterker en deed aan atletiek. Die deed mee aan de werknummers vanwege de kracht in zijn lichaam. Maar hij is vroeg overleden.

Aanvankelijk woonden we dus in een boerderij. Het was een landbouwbedrijf, achterin de polder. Onze boerderij was zo’n veertig hectare groot. Daar werd tarwe verbouwd, suikerbieten, aardappelen en dat soort zaken. Mijn vader is ergens rond 1920 gestopt met boeren, werd ambtenaar en is daarna pas getrouwd. Daarom kan ik me er dus niets van herinneren. Ik heb zelf nooit op de boerderij gewoond. Mijn vader hield ermee op, omdat hij geen boerenhart had. Zijn jongste broer is wel gebleven. Toen ik geboren werd was mijn vader gemeente-ontvanger. Dat hoeft tegenwoordig niet meer, want het betalen van de belasting gaat tegenwoordig allemaal via Apeldoorn. Dat was toen nog een eervol beroep.

Als er een keer ijs lag in de polder, waren er heel snel wedstrijden. Dan nam onze vader ons altijd mee naar de polder en zo is de belangstelling gegroeid bij ons, alhoewel er geen schaatscultuur is in West-Brabant. Ik mocht van geluk spreken dat ik in Halsteren woonde, want in Bergen op Zoom was er helemaal geen schaatscultuur. Daar waren zelfs geen schaatsers. De eerste Elfstedentochtrijder daar vandaan komt geloof ik pas in 1963. Terwijl in 1942 al Halsterenaren meededen aan Elfstedentochten.

Wij hadden een eigen ijsclub, de Halstersche IJsclub, die in 1917 opgericht is geweest. Die organiseerde ’s winters regelmatig wedstrijden. Dat was in het begin niet zo professioneel als de laatste wedstrijden. Het waren hardloopwedstrijden op klompen op het ijs of sleetje prikken en dat soort dingetjes om het publiek te vermaken. Het was meer dan een ijsclub, want het van oorsprong was het een ontspanningsclub. Bijna half Halsteren was lid van de club, maar er was misschien maar zo’n tien procent die schaatste.

Eén keer per jaar, in de winter, organiseerde de club een ontspanningsavond met een mooi toneelstuk, een bal na, een verloting en dat soort dingen. En daar kwamen de Halsterenaren dan op af. Dat was net voor en net na de oorlog, toen er nog geen televisie was. Die mensen wilden wel een beetje ontspanning hebben en daar zorgde onze ijsclub voor.

Heel Halsteren was katholiek, op een tiental mensen na. Dat was geen probleem voor de ijsclub.

Heel Halsteren was katholiek, op een tiental mensen na. Dat was geen probleem voor de ijsclub. We merkten helemaal niets van het geloof in de club. De pastoor kwam niet langs om het ijs te zegenen. We hebben één keer gehad dat de pastoor was overleden, waarna de wedstrijden werden afgelast. Dat vonden ze niet gepast om die wedstrijden door te laten gaan, omdat de pastoor nog boven aarde stond. Maar er waren geen problemen om op zondag open te zijn met de ijsclub. Nee, dat kenden we niet in Halsteren. Drie kilometer verder, in Tholen, zou dat probleem wel gespeeld hebben.

Als er wedstrijden waren op het Lange Water, zo heette dat, deed mijn vader altijd mee. Als schoonrijder dan en niet als hardrijden. Voor zijn trouwen deed hij dat met zijn zuster, die ook prijzen heeft gewonnen. Dat schaatsen zit er dus wel een beetje in.

Ik zelf ben begonnen op kleine bootjes, zoals we die noemden. Met die krullen. Later op Frieskes en vlot daarna ben ik op de Noren overgestapt. Toen ik een jaar of acht, negen was, waren er de Oorlogswinters. In die tijd moest ik niets hebben van die kou. In 1940, 1941 en 1942 zijn er ook Elfstedentochten gereden, maar ik moest er echt niets van hebben toen, van die kou. Die interesse had ik niet. En het was oorlog, waardoor de media die aandacht er niet aan konden besteden vanwege de problemen met de Duitsers. Ik wist het niet eens dat er weer werd gereden. Wel heeft een neef van mijn vader in 1942 meegedaan. In 1947 begon het bij mij ook te kriebelen. Ik wilde het toen ook wel eens proberen en van lieverlee is het zo een beetje aan het groeien gegaan. Op de ijsbanen in de omgeving stond ik wat te krabbelen en begon ik aan wedstrijdjes mee te doen. Dat vond ik wel leuk.

In 1954 zat ik militaire dienst. Die winter kwam ook weer een Elfstedentocht en die keer wilde ik echt meedoen. Toen zei de kapitein: “Ja, soldaat Bovee, je mag niet meedoen, want je moest eerst bewijzen overleggen dat je ooit zo’n tocht gereden hebt.” Maar dat kon ik niet en dus kon ik niet meedoen. En dat was toen een hele makkelijke tocht. Dat was dan jammer. In 1956 was ik van de partij. Daarna moesten we weer een paar jaar wachten, tot 1963 dus.

Ik ben in Bergen op Zoom naar de HBS gegaan. Van daaruit kon ik naar de Sportacademie in ’s Hertogenbosch. In mijn hele leven ben ik in Bergen op Zoom als gymnastiekleraar werkzaam geweest. Eerst op de LTS en de laatste twintig jaar op een middelbare school. Toen ik de tocht van 1963 schaatste, werkte ik nog op de LTS. Ik hoor nog regelmatig van oud-leerlingen dat ze op mijn school zaten toen ik die Elfstedentocht reed. Dat heeft dus wel indruk gemaakt op die jongens. Op het ogenblik ben ik bij mijn dochter aan het klussen en daar was een timmerman, die het er ook al over had. Dan ga je een paar honderd meter verder naar een schilder en dat is ook een oud-leerling. Die begon er meteen over! Allemaal over de tocht van 1963, allemaal uit de tijd dat die lui nog op school zaten. Ze praten er nog over.

De tocht van 1963

Ik zal wel thuis geweest zijn toen ik hoorde dat die tocht doorging. Ik was nog niet getrouwd, bijna 31 jaar oud. Al jaren had ik mijn spullen klaarliggen: mijn lange onderbroek met zeemleer erin, mutsen en kniestukken en weet ik het allemaal. Dat was een kwestie van inpakken en wegwezen. Dat hoefde ik niet te zoeken. Ook mijn klompsloffen lagen erbij, want als je terugbent in Leeuwarden moet je hele lichte sloffen hebben. Dan kun je natuurlijk geen zware schoenen bij je hebben om de hele tocht mee te slepen. Voor mij was het een vanzelfsprekendheid om mee te doen. Dat kun je gerust zeggen. En je was jong en je voelde je sterk.

In 1961 is er ook nog een Elfstedentocht uitgeschreven geweest, die op het laatste moment afgeblazen werd. Toen had ik met een andere jongen uit Halsteren me ingeschreven voor de wedstrijd. Die ging niet door, jammer. Toen kwamen de berichten over 1963: verschrikkelijk slecht ijs, och och och. Toen heb ik er van afgezien om aan de wedstrijd mee te doen. Want ik wilde graag een kruisje hebben en dan maar bij de tocht. Maar goed ook, want ik zou het niet gered hebben bij de wedstrijd.

We zijn met de trein naar Leeuwarden gegaan. Met de auto zou een hele expeditie zijn geweest. Ik had er wel één toen: een lelijke Eend. Daar leed je in de auto net zo veel kou als daarbuiten. En een hoop kabaal, dus dat was niet zo comfortabel, dus dat deed je heerlijk met de trein. Lekker ontspannen naar Friesland en lekker ontspannen weer terug. We waren met twee jongens van Kint, met wie ik wel eens een wedstrijd had uitgevochten. En Jos van der Maas uit Bergen op Zoom.

In Friesland hadden een kosthuis zonder verwarming op de huiskamer na. We sliepen met zijn vieren op één kamer in een koud huis. Met zijn tweeën in een bed. Het was bij een oude weduwe. Dat mensje was niet zo spraakzaam. We gingen maar vroeg naar bed, omdat het zo koud was. We zullen wel wakker gebleven zijn, zo’n dag voor de grote tocht. Dat was heel primitief, maar ja, het is wel veertig jaar geleden.

Ik droeg een lange moltonenonderbroek aan met een zeemleren stuk. Daarover nog twee maillots en daarboven een dik pak kranten om de wind tegen te houden. Wat truien, een trainingsjack, een muts op. Ik denk zelfs nog kniestukken erbij tegen het vallen. Overschoenen kenden we nog niet, net zoals een skibril. Dus dat was een zonnebrilletje op.

Het verhaal over de tocht heb ik voor mezelf opgeschreven. Ik heb er tot vorig jaar aan geschreven, steeds meer bijgeschaafd. Ik heb er ruim dertig jaar over gedaan! Toen heb ik het aan het Schaatsmuseum in Hindeloopen gestuurd. Het is nu dus af. Ik vind het leuk als dat verhaal in het boek wordt opgenomen. Ik kan het niet beter vertellen dan hoe ik het heb opgeschreven.

Dit is het verhaal van de Elf Stedentocht van 18 januari 1963 van Kees Bovée, die als enige Zuid-Nederlander de tocht uitreed. Geschonken aan het Schaatsmuseum in Hindeloopen d.d. 02-12-2001

Mijn Elfstedentocht van 18 januari 1963

Om half zes ‘s morgens waren 568 wedstrijdrijders gestart. Om tien voor zes viel voor mij als tochtrijder het startschot. Ik durfde het niet aan om bij de wedstrijd te starten. De vooruitzichten waren zo erbarmelijk slecht dat ik besloot daarvan af te zien. Een goed jaar eerder op 30 december 1961 had ik namelijk samen met Piet Kint wel ingeschreven voor de wedstrijd. Maar niet voorziene regenbuien, een onaangekondigde storm en een zeer plotseling invallende dooi noodzaakten het bestuur de tocht op de dag dat ze verreden zou worden af te blazen. De 3000 deelnemers waaronder Piet en ik werden teleurgesteld naar huis gestuurd. Mijn wedstrijdkaart en rugnummer had toen als nummer: 56

Op de ochtend van 18 januari vroor het in Joure 20,8 graden. Friesland huiverde van de kou. De weersomstandigheden waren op 18 januari 1963 te vergelijken met toestanden die zich regelmatig op de noordpool voltrekken. Strenge vorst, aanwakkerende wind tot windkracht 7, onberijdbaar ijs en niet in de laatste plaats stuifsneeuw en zon.

De voortekenen waren niet best. De Elfmerentocht, traditioneel de opwarmronde voor de Elfstedentocht, werd op woensdag afgelast vanwege de barre omstandigheden. Voor vrijdag, de dag van de tocht, had voorzitter Hoogland de Friese bevolking gevraagd om massaal met sneeuwschuiven naar het ijs te gaan.
Vanuit de trein hadden we de erbarmelijke omstandigheden in Friesland al gezien en we zeiden dan ook tegen elkaar: “Meedoen morgen wordt erg, maar thuisblijven is nog veel erger.” De tocht van 1963 zou voor mij een bijzondere worden, een soort poolexpeditie.

De start

In totaal zouden er met mij nog 10.095 andere tochtrijders weggaan voor de tocht over 200 km. Het vroor bij de start in Leeuwarden 18 graden. Samen met mij vertrokken Piet en Cyriel Kint, mijn Halsterse metgezellen, vanuit autospuiterij Post, waar we ons heerlijk door de drooglampen lieten opwarmen. Jos van der Maas uit Bergen op Zoom, die voor twee nachten mijn slapie was in het pension, zou wat later van start gaan.

Het stonk er verschrikkelijk naar de masseerolie. Precies op tijd gingen de deuren open en wij holden als eerste tochtrijders tussen de met strobalen gebarricadeerde uitgangen door naar buiten. Ik had lidmaatschapskaart nr. 360, wat betekende dat ik evenals Piet en Cyriel Kint in de eerste groep mocht starten.

In een looppasje ging het nu naar het ijs. De rijders die ik tijdens het lopen zou passeren hoefde ik straks niet te passeren op die smalle baan met verraderlijk ijs. Je hoorde de aanmoedigingen van de mensen op de kant. Magnesiumlampen wierpen een spookachtig licht op het kanaal. Alle waarschuwingen ten spijt stonden de schaatsliefhebbers ook toen met duizenden te trappelen om mee te doen, allemaal belust op dat kruisje, hoewel iedereen wist dat het zeer zwaar, zo niet onmogelijk, zou worden.

Eenmaal op het ijs liet ik me haastig stilzwijgend op een bank neerploffen, en de schaatsen zaten met enkele rukken aan de veters vast. Het klinkt misschien raar, maar daar had ik op geoefend. Mijn oude versleten gymschoenen liet ik bij de start definitief aan de kant liggen, goed voor de Leeuwardense vuilstort. Voor na afloop had ik lichte ouderwetse klompsloffen in opgestikte zakken van mijn trainingsjack zitten.

De eerste streken werden nu op het ijs gezet, onder een brug door, de snerpende kou in, onberijdbaar ijs, donker en… nog 200 onmogelijke kilometers Friesland voor de boeg. Piet was ik in de donkere chaos van de start al kwijt gesukkeld. In Elfstedentochten hadden we altijd onderling de afspraak dat ieder zijn eigen koers zou rijden, dus ieder voor zich. Daarom dacht ik dat Piet al op mij vóór lag. Maar mijn eerzucht zei: Laat je eigen niet door Piet losrijden.

In een voor deze tocht veel te hoge aanvangssnelheid zette ik de ‘achtervolging’ in. Het ijs was, zoals eerder gememoreerd, eigenlijk niet te berijden. Bij de hoek van het Van Harinxmakanaal, waar de Zwette begint, haalde ik de eerste wedstrijdrijders al in. Het waren laatkomers, opgehouden door een verkeersopstopping.
Het zouden niet de laatsten zijn die ik passeerde.

De eerste slachtoffers lieten zich al gauw zien. Gebroken schaatsen en bebloede koppen.

De eerste slachtoffers lieten zich al gauw zien. Gebroken schaatsen en bebloede koppen. Van lieverlee haalde ik ook andere wedstrijdrijders in. Na een half uur rijden had ik er al een vijftig gepasseerd, maar nog steeds geen Piet Kint te zien. De moraal werd wel versterkt door zoveel wedstrijdrijders te kunnen passeren. Mijn geldingsdrang was groot. Ik voelde mij sterk en smeet met mijn krachten. Ik was 30 jaar en in de kracht van mijn leven. Als je dan zo’n ploeg met armen en benen zwaaiende wedstrijdrijders voorbijgaat geeft je dat zelfvertrouwen. Voor die wedstrijdrijders is het een frustrerend iets. Je ziet ze denken: daar heb je de tochtrijders al en die willen ons allemaal passeren. Voor beiden is het gevaarlijk om te passeren en om gepasseerd te worden. Ik had dan ook helemaal geen ontzag voor de wedstrijdrijders die ik voorbij ging.

Tractoren lieten in het ochtendduister hun licht over het ijs schijnen om hele slechte stukken ijs te laten zien. In de koude mistvlagen zag ik de baan steeds smaller en smaller worden. Ik riep om te mogen passeren, maar niemand ging opzij. Logisch natuurlijk. Iedereen had genoeg aan zichzelf om overeind te blijven. Om dan in deze omstandigheden nog even opzij te gaan was ook niet mogelijk. Ik wilde er voorbij, want Piet had ik nog niet ingehaald. Wanneer een voorganger na de afzet zijn linkerbeen introk kon ik er op dat moment net voorbij. Het lukte een aantal keren. Maar dan kwam ik zelf te vallen, en gingen de
anderen mij weer tierend en schreeuwend voorbij. Je probeerde na een val zo snel mogelijk buiten de baan te rollen.

Het was nog steeds donker. Viel een ander vóór mij en zag je geen kans om hem links of rechts te passeren dan probeerde je er maar wijdbeens over heen te gaan. Maar meestal viel ik er dan ook weer over, of kwakte ik op de hard bevroren sneeuwrand. Er werd heel wat afgevloekt. Heel veel valpartijen waren er dan ook op dit verschrikkelijk slecht ijs. Je aangeleerde schaatstechniek moest je hier maar vergeten. Het was nu: korte slagen, niet te diep zitten en een beetje wijdbeens rijden om bij de geringste evenwichtverstoring niet te hoeven vallen. Niemand durfde zijn handen op zijn rug te leggen, bang om ongenadig neergesmakt te worden. Ik mocht blij zijn als niemand mij dan raak reed, want schaatsijzers waren toen ook al vlijmscherp.

Het was één grote struikelpartij. Uitvallers waren er al genoeg met bloed aan handen en gezicht. Mijn verstand zette ik eigenlijk veel te vroeg op nul. Ik was zo geobsedeerd om Piet in te halen dat ik geweldige risico’ s nam. Als je met de juiste mentale instelling de 200 km te lijf gaat dan ben je ook bereid om harde klappen te incasseren. Tot mijn verbazing bleef mijn fysiek zonder haperen functioneren.

Na 40 kilometer op het Slotermeer kwam het verlossende ogenblik. Daar had de organisatie dubbele banen uitgezet, zo’n vijftig meter van elkaar gescheiden. Dat meer moesten we twee keer oversteken, heen en weer terug, omdat de oorspronkelijke route over de Luts onberijdbaar was. Daarom moesten we daar terug om dan via het Heegermeer en de Fluessen naar Staveren te gaan. Daar midden op het meer na ongeveer tien minuten rijden op de terugweg herkende ik, nog steeds in het donker, Piet aan zijn silhouet. Hij moest nog naar Sloten toe. Nu ik wist dat Piet al een twintig minuten op mij achter lag, was het zaak om vrij te blijven van blessures en schaatspech en kon ik het wat rustiger aan doen. Gewoon met een groepje meegaan en geen onnodige risico’s meer nemen.

Het heelhuids en zonder schaatspech doorworstelen van de donkere uren was een hele opgave. Op den duur had ik er eigenlijk al zo’n vermoeden van dat Piet niet vooruit kon zijn. Daarvoor had ik te hard gereden onder deze omstandigheden. Piet was geen man om grote risico’s te nemen. En nu maar doorzetten om hem voor te blijven, want de kans om Piet voor te blijven was nu wel heel erg groot.
Ondanks het wat rustiger tempo kwam ik op de Fluessen met een flinke smak op mijn ribbenkast terecht waardoor ik enkele tellen mijn adem kwijt was. Ook dat ging weer over.

IJzig

De baan was overdekt met de gemeenste scheuren, half verborgen onder een laag eerst half gesmolten, daarna vastgevroren sneeuw. De korsten van de weer bevroren dooipap waren het ergste. Door de mist die er hing kwamen er op je wenkbrauwen en oogwimpers gewoon ijsklontjes. Vooral bleef het oppassen geblazen bij de talloze valpartijen. Dat bleef maar duren. De eerst vallende kreeg dikwijls nog een hele ploeg rijders over zich heen. Je moest goed achterop je schaatsen zitten om zo enigszins over de vastgevroren sneeuw en de bijna onzichtbare scheuren te kunnen rijden. Op de lange duur ging dat pijn doen aan je beenspieren, die die spanning niet zo lang gewend waren.

Bij Warns (70 km) kregen we warme rivella aangeboden. Ik dronk er wel vijf glazen achter elkaar leeg, zo’n dorst had ik. Het bekwam me niet goed. Vlak voor Staveren kreeg ik een trap van een schaats van iemand die voor mij viel wat een flinke bloedende wond in mijn rechter onderbeen veroorzaakte en twee kapotte broeken. Je moest wel doorgaan want hulp ter plekke was er niet.

Na een kwartiertje was het bloeden gestelpt. Het zat als een bevroren plakkaat in mijn broek aan mijn been vastgeplakt. Na Hindeloopen moesten we de dijk over. Ook hier werd de oorspronkelijke route verlegd en moesten we over een stukje IJsselmeer. Lopend over de dijk zagen we het al. Recht tegen de wind in (windkracht 6 à 7) en zonder beschutting. Heel zwaar was het. Je wilde dan wel achter de rug van een ander kruipen om een beetje uit de wind te rijden. Er ging dan ook een zucht van verlichting door ons toen we de dijk bij Workum naderden.

Voorbij Workum op de Workumervaart lagen veel nagenoeg onbegaanbare stukken. Veel beter was het er niet op geworden. Na Bolsward werd de baan nog smaller en de harde wind zou binnen een uur er voor zorgen dat niemand er meer kon schaatsen. De baan was dichtgesneeuwd. Ook hier weken we weer van de normale route af. We gingen nu langs Witmarsum waar een melkfabriek was. Daar deed ik me te goed aan warme chocolademelk.

Om 15.15 uur in Franeker aangekomen bij de stempelpost voor de tochtrijders hoorde ik dat ik daar als achtste tochtrijder doorgekomen was. Hoe is dat mogelijk, dacht ik bij mezelf. Zit ik zo goed? Het gaf me een kick en een gevoel van tevredenheid om de tocht met nieuwe moed voort te zetten. Wat er ook nog gebeurt, ik zal vanaf nu proberen mijn positie te consolideren, want zo goed als ik nu zit zal ik het in eventueel latere tochten niet meer kunnen doen. Daar was ik van overtuigd. Na Franeker maakten we ons op voor de grote sprong naar Dokkum. Ons gezicht lieten we opnieuw in de vaseline zetten. Voor borst en buik werden nieuwe kranten van uiteenlopende politieke richting gezet om bevriezingen te voorkomen. De oude waren geheel verpulverd van het zweten.

Siberische toestanden

Het vroor ondertussen weer 15, 16 graden en de snijdende oostenwind begon angstaanjagend aan te wakkeren. Hier moesten later op de dag veel rijders uit de tocht genomen worden door de organisatoren, aangezien het ijs met het kwartier nog slechter werd. Deze rijders konden vóór twaalf uur ‘s nachts hun tocht toch niet meer uitrijden. Want het zijn juist de sterksten die tegen zichzelf beschermd moeten worden, de zwakken vechten tegen de uitputting minder lang door. Heel veel rijders waren vóór Franeker al vrijwillig uit de tocht gestapt vanwege bevriezingsverschijnselen en uitputting.

Het zijn juist de sterksten die tegen zichzelf beschermd moeten worden, de zwakken vechten tegen de uitputting minder lang door.

Na het vertrek uit Franeker, in de zogenaamde Bouwhoek, bleek de baan al op verschillende plaatsen volkomen dichtgesneeuwd te zijn. Wij noemden het onder elkaar de Hel van het Noorden. Het was alsmaar lopen. Ons groepje bestond op zeker moment uit zes man, waarvan ik de enige toerrijder was. De anderen waren dus wedstrijdrijders en te herkennen aan hun rugnummer, dat ik niet had. Met dit groepje hadden we al een uur gereden en losten we elkaar regelmatig op kop af.

Langzamerhand leerden we elkaars schaatscapaciteiten kennen en moedigden we elkaar aan wanneer een van ons het wat moeilijker kreeg. Er was ook een man bij van ongeveer 40 jaar, waar we verschillende keren op gewacht hebben. Op den duur ontstond er een kameraadschappelijke geest die zei: “Laat die man toch niet alleen achter in deze woestijn van ijs en sneeuw.” Op de schaats kon hij goed mee komen, maar als er gelopen moest worden sukkelde hij achter.

Als we voorbij een gehuchtje kwamen vroegen we wel eens aan een spaarzame toeschouwer: “Hoever is Paping al?” Maar het antwoord bleef elke keer hetzelfde: “Hij is nog niet in Leeuwarden.” Want onder redelijke omstandigheden had hij er lang moeten zijn. Daaruit begrepen we wel dat ons nog veel ellende te wachten zou staan.

Goed lettend op onze brandstofmeter pakten we nu vaker dan ‘s morgens een kop warme chocolademelk of warme limonade met flink wat druivensuiker die ik zelf bij me had in die opgestikte zakken. Ons lichaam leek wel uitgeperst van al dat transpireren. Het oponthoud duurde nooit langer dan 1 à 2 minuten. Zodra we even stilstonden werden onze spieren stijf van de kou, zodat we na tien minuten rijden pas weer op temperatuur waren.

De dorst bleef me kwellen, zodat ik regelmatig een handvol sneeuw in de mond stak. Met ijspegels aan het hoofd, de borst wit van de bevroren adem, probeerden we door het losse ijs te gaan. Maar bij iedere slag zakte je weg, moest je met je armen en benen zwaaien om rechtop te blijven staan om je evenwicht te houden. Een voordeel van dat zwaaien was in ieder geval dat de doorbloeding van de handen en armen op gang bleef. Om toch over die kwalster te kunnen gaan moest je goed achterop de schaats zitten. Mijn enkelgewrichten kregen het daardoor zwaar te verduren. Ik had twee paar wollen handschoenen aan. Het buitenste paar was keihard bevroren. Ik kon er bijna niet in noch uit.

Ik besefte goed dat er bij verzorgingsposten niet te lang gerust mocht worden om hopelijk niet te lang in het donker te moeten rijden. Na een uur met dit groepje opgetrokken te hebben herkende ik één van die jongens. Want je ziet alleen maar ruggen. Het was Jac Bodifee uit Tilburg. Hij was als militair gelegerd in Bergen op Zoom en omdat ik hem daar veel had zien trainen op de Heide kende ik hem terug. Het deed me goed om in deze ellende een bekende bij me te hebben. De anderen bleken allemaal noorderlingen te zijn. Bij Vrouwbuurstermolen, halfweg Franeker-Bartlehiem, bleven we even staan voor een kop soep, toen achter ons een grote groep van een 20 man aankwam. “Kom op, jongens”, riep ik, “met zovele gaat het gemakkelijker.” Doch mijn makkers hadden hun kop gloeiende soep nog niet op. Ik ook niet, maar ik liet hem maar halfvol staan. Ik ging mee en zij niet. Later hoorde ik van Bodifee dat hij 15 minuten gerust had en kort daarop uit de strijd genomen was. Ik zwoegde nu voort met die grotere groep.

Vanaf hier leek het wel of we ‘Klein Siberië’ binnen gingen. Er viel niet te schaatsen, harde wind met veel stuifsneeuw. Het was verschrikkelijk. Het begon langzamerhand donker te worden. Ik moest de zonnebril, die ik de hele dag op had, afzetten. Skibrillen hoorden toen nog niet tot de vaste uitrusting. Ook kreeg ik voor het eerst die dag koude voeten. Die gingen ontzettend pijn doen. Ruim twaalf uur hadden mijn voeten in nauwe schoenen gezeten, alleen van onderen rustend op een ijzeren plaatje, dat niet zoals ingelopen schoenen naar de voet gaat staan. Overschoenen kenden we toen ook nog niet. Ik had dan ook veel moeite om de groep bij te houden. Tot Bartlehiem lukte me dat.

Ik merkte wel dat ik bezoek had van de man met de hamer. In Bartlehiem bij de tent van de Frico-zuivelfabriek kregen we gratis warme melk en hompjes kaas. Dat ging er wel in. De hele dag had ik alleen maar flink druivensuiker gegeten met af en toe een handvol rozijnen die ik ook als proviand bij me had. Hoewel het me tegen stond de hele dag hetzelfde te eten, verzette ik mij er tegen. Dit was een meer dan welkome afwisseling.

Het hoge aanvangstempo van de ochtend begon me op te breken. Ik zag het eigenlijk niet meer zitten. Hier had ik best op willen geven, maar een stem in mij zei: “Je bent nu zover gekomen, laat je toch niet kisten, de anderen gaan toch ook door. De hele school lacht je anders uit.” In die tijd was ik gymnastiekleraar aan de Lagere Technische School in Bergen op Zoom. Leerling Jan Quick (16 jaar) uit Bergen op Zoom hoorde ook tot de deelnemers. Ik dacht dat ik het aan mijn stand van gymnastiekleraar gewoon verplicht was om de tocht uit te rijden. Bij uitstappen zou ik voor de hele school afgaan als sportman. Dat wilde ik toch wel voorkomen.

Ik dacht dat ik het aan mijn stand van gymnastiekleraar gewoon verplicht was om de tocht uit te rijden. Bij uitstappen zou ik voor de hele school afgaan als sportman.

Bartlehiem is het legendarische kruispunt waar wij op onze weg naar en van Dokkum twee maal langs komen. Met nog een andere rijder ging ik vanaf hier de donkere Dokkumer Ee op en het verraste ons dat we nu werkelijk konden schaatsen. Daardoor kwam ik mijn inzinking weer te boven.

Het was nu wel tegen de felle noordoosten wind optornen geblazen. Wolken stuifsneeuw vlogen over het ijs. En iedere keer maar weer uit cadans door het vallen in de ontelbare scheuren. Ook was het oppassen geblazen voor vastgevroren op elkaar liggende schotsen die door de scheepvaart weken eerder waren veroorzaakt. Bovendien kreeg ik twee keer kramp. Ik probeerde die kramp door middel van strekken en masseren weg te krijgen. Voor mij was dat een teken dat mijn spieren murw gebeukt waren.

Het was vooral goed uitkijken geblazen, want de rijders die van Dokkum terug kwamen reden over hetzelfde smalle baantje met de wind in de rug. Van ver riepen ze al: “Opzij!” Sommigen moedigden je tijdens het passeren aan door in het onverstaanbare Fries te roepen: “Volhouden hoor, nog een paar kilometer naar Dokkum!” Tenminste, dat dacht ik dat ze zeiden.

Ik voelde al gauw dat mijn ogen raar gingen doen. Als ik ze sloot voelde ik een doordringende kou. Ongerust maakte ik me er niet over. Ik zag nog goed, dacht ik, maar de werkelijkheid was anders. In werkelijkheid was het niet pikdonker. Mijn ogen waren bevroren, de hoornlaag wel te verstaan! Het is net of je door matglas moet kijken. Aan mijn maatje van dat moment vroeg ik op een gegeven moment: “Heb jij ook zo’n last van de mist?” Ik wist het niet, anders was ik in Dokkum er alsnog mee gestopt. Heel moeilijk kon ik de weg vinden. Veel steun had ik van mijn metgezel die ik als een schaduw volgde.

Om 19.30 uur kwamen we in Dokkum aan, waar juist de groep van 20 vertrok. Er stonden nog een paar mensen op de hoge wallen. Wat een gezelligheid na al die uren eenzaam zwoegen. Het aanmoedigen van de Friese bevolking grijpt je aan. Je laat al die spaarzame toejuichingen over je heen komen als een warme douche. Je zwaait terug en geniet er van. Weer dronk ik even wat en we gingen weer opnieuw de duisternis in.

Net buiten Dokkum botste ik tegen een woonschuit aan en zonder ernstige gevolgen zette ik de terugtocht naar Bartlehiem voort met een andere schaatser. Nu ging het lekker met de harde wind in de rug met de turbo erop. Het vervelende was dat er hier en daar hopen sneeuw op de baan lagen die ik te laat opmerkte. Met een vaart van zo’n 25 km/u reed je erin en kwakte als een aangeschoten eend op het ijs of in de sneeuw. Ik voelde goed dat mijn knieën ondertussen rauw waren van het vallen en dat ik fikse schaafwonden aan mijn ellebogen had.

Na zo’n smak voelde ik mijn schaats raar weglopen. Een kromme schaats! Dat was toch wel het toppunt van ellende. Ik heb nog wel geprobeerd hem uit te doen om hem in een scheur recht te buigen maar de veters zaten vastgevroren. Een behoorlijke slag maken ging niet meer. Met aangepaste slag weer maar verder. Het gehucht Birdaard werd gepasseerd. Niemand was meer buiten met dit weer.

Het laatste stuk

Terug in Bartlehiem stonden er nog enkele rijders bij de Frico-tent waar ik op wachtte om mee verder te kunnen trekken. Hier dronk ik zowaar twee bakken koffie, hoewel ik nooit koffie drink. Misschien was dat wel de doping om Leeuwarden te kunnen halen.

Het beroemdste bruggetje van Nederland heb ik daar niet gezien. Dat ontging me helemaal.

Het beroemdste bruggetje van Nederland heb ik daar niet gezien. Dat ontging me helemaal. “Nog zeven kilometer,” werd ons verteld. Om ons niet te ontmoedigen, werd er bijgezegd dat dat stuk redelijk te berijden was. Wisten zij veel, ze waren er immers ook niet geweest.

Wat kwamen we bedrogen uit! Het slechtste stuk hadden ze voor het laatst bewaard. Er viel echt geen baan meer te bekennen. Bij een bocht in de Oudkerkstervaart merkten we door de sneeuwduinen niet dat de bocht naar rechts ging. Het was immers allemaal één dikke laag sneeuw. Wij liepen gewoon rechtdoor het land in. We waren het spoor volkomen bijster. Op een gegeven moment kwamen we voor een hek te staan waar we maar overheen geklauterd zijn. Er lag op sommige plaatsen een pak sneeuw van wel een halve meter. Het was een eindeloos lijkende sneeuwvlakte. We wisten niet of we over een weiland of over ijs liepen. We waren echt verdwaald. Het was allemaal sneeuw.

Het beroerde was, als er vijf centimeter sneeuw lag dan gaf dat geen problemen. Lag de sneeuw plots 40 à 50 cm hoog, dan tilde ik mijn voeten niet hoog genoeg op en sloeg ik weer over de kop. Het verschil in hoogte zag ik niet. Het was eigenlijk één strijd tegen het gezonde verstand. Ik had het nu eenmaal lang geleden al op nul gezet. Gelukkig was de schaatser die met mij optrok iemand uit Leeuwarden die zich een beetje wist te oriënteren. Hij kon heel in de verte lichtjes zien. Dat kon ik niet vanwege mijn bevroren ogen. Koste wat het zou kosten moest ik bij hem in de buurt blijven, anders liep ik grote kans in deze poolnacht helemaal te verdwalen. Het oerinstinct tot zelfbehoud kwam in mij naar boven. Dat tilde mijn krachten boven het normale uit. Er was één troost: met iedere slag die ik deed kwam ik toch een slag dichter bij Leeuwarden.

We waren nu echt het gevecht tegen de elementen aangegaan: wind, kou, stuifsneeuw, eenzaamheid en helemaal geen ijs te zien. Ik voelde me eenzaam, ik voelde me rot. Ik schuifelde, liep en struikelde verder in de poolnacht, volkomen geradbraakt, aan het eind van mijn Latijn. En dat alles om zo’n prulding van een Elfstedenkruisje.

Opeens stemmen in de verte. Twee mannen van de Bescherming Bevolking speurden naar mogelijke slachtoffers. Bescherming bieden konden ze ook niet veel. Tegen hen zei ik nog: “Dit is toch niet meer normaal hè?” Van hen kregen wij het dringende advies om toch vooral bij elkaar te blijven om in verband met eventuele moeilijkheden er niet alleen voor te staan. Soms had ik de neiging om, wanneer ik gevallen was, languit in de sneeuw te blijven liggen. Zo kapot was ik. Dan dacht ik wel eens: ‘Hier lig ik lekker.’ Dat zou onherroepelijk onderkoeling en misschien wel doodvriezen tot gevolg gehad hebben. Iets in mij gaf me iedere keer weer een seintje om op te staan en mijn mede lotgenoot als een schaduw krampachtig te volgen.

Er viel echt geen baan te bekennen. Ik was nu al zo’n 16 uur aan het ploeteren. Hoe lang zou ik dat nog vol kunnen houden? Het was niet alleen lichamelijk zwaar maar ook mentaal. We liepen door een stuk polder waar geen mens noch boerderij te zien was. Gelukkig bleven mijn gemartelde spieren automatisch hun malend werk doen, links-rechts, links-rechts. De armen daarbij in cadans meezwaaiend.

Ondanks dat ik scheel zag van ellende zag ik visioenen van een lekker warm bed en een rijkelijk met etenswaren gevulde tafel.

Toen de misère het hoogst was begon ik te hallucineren. Ondanks dat ik scheel zag van ellende zag ik visioenen van een lekker warm bed en een rijkelijk met etenswaren gevulde tafel. Soms viel ik twee keer op een meter, maar de angst om hier alleen achter te blijven hielp me iedere keer weer omhoog om verder te gaan. Als dat het plezier is van een Elfstedentocht rijden en je je echt zorgen gaat maken om je leven er niet bij in te schieten, dan hoeft het voor mij nooit meer. Dat waren de gedachten die mijn hersenen teisterden. Ik begon deze ijsklassieker te haten. Het was alsof we ons in de dichte Londense mist als oude mannetjes voortbewogen en op de tast onze weg zochten. De laatste reserves werden aangesproken.

Dit nooit meer

Na twee uur over zeven kilometer gekluund te hebben waren we weer op het parcours aangeland en hield de sneeuw plotseling op. We konden weer rijden en ik zag plots lichten in de mist opduiken. “Nog 300 meter,” zei mijn makker. En inderdaad, onder een groot licht bij een afgelegen houten barak stonden twee mensen van de organisatie. Een van die mensen stopte mij af, want ik had de kracht niet meer om zelf af te remmen. Want op het moment dat je over de finish komt begeven je krachten het helemaal. IK HEB HET GEBAALD, juichte ik van binnen.

De schaatscross, o, sorry, de ‘koninginnerit’ door Friesland zat er op. Ik was blijer met het feit dat de ellende voorbij was dan dat ik hem uitgereden had. Warme tranen van emotie en vreugde rolden over mijn koude gezicht. Er ging geen hoera op en er was ook geen geklap van handen op elkaar. Het was een wel zeer eenzame aankomst. Wat stond deze finish op de Groote Wielen in schril contrast met mijn aankomst van 1956. Toen reed ik tussen dikke rijen jubelende mensen door naar de finish onder aan de voet van de monumentale Oldenhove midden in Leeuwarden. Twee mannen pakten mij nu onder mijn armen en zo werd ik naar binnen gedragen. Daar waren er nog meer. Kerels als bomen lieten daar hun tranen na al de spanningen en inspanningen over de wangen lopen. Binnen werd ik op een stoel gezet en gaf mijn controlekaart af om voor de laatste keer te stempelen. De tijd van aankomst was tien minuten over tien.

Ik had de Tocht der Tochten in 16 uur en 20 minuten volbracht. De veters hebben ze maar doorgesneden en zo hebben ze mijn schaatsen uitgedaan. Toen dacht ik: Waar zouden mijn Halsterse dorpsgenoten gebleven zijn? Zouden zij ook nog in koers zijn? Dat ik de eerste Halsternaar was interesseerde me niets meer.

Na een paar minuten roerloos gezeten te hebben kwam een dokter naar mij kijken. Bij binnenkomst had ik alles heel wazig gezien, alsof er een hele dichte mist hing. Daar schrok ik van. Nu zag ik bijna niets meer. De dokter zag het al voordat ik één woord tegen hem gezegd had. Mijn ogen werden gedruppeld met de geruststelling dat alles weer goed zou komen. Mijn tenen kreeg hij niet te zien, omdat ik dacht dat ik daar niets mankeerde. Daarvoor zou ik twee lange inmiddels kapotte maillots naar beneden hebben moeten doen. Dat was op dat moment te veel gevraagd. Ik zei dat ik daar niets abnormaals voelde en dat de wond aan mijn scheenbeen dicht was. Achteraf bleek dat die wond eigenlijk gehecht had moeten worden. Met wat zwaluwstaartjes als pleister is dat ook weer goed gekomen.

Op mijn klompsloffen strompelde ik als een oude man naar een wachtende bus, waarin reeds een aantal rijders zat. Allemaal uitgeblust en totaal uitgewoond. De meesten staarden wazig voor zich uit. Nu ik niet meer in beweging was begon ik het ontzettend koud te krijgen. Na een kwartiertje rijden werden we bij de Beurs afgezet, waar we onze controlekaart moesten inleveren. Als een invalide beklom ik de treden. Het leek wel alsof de treden twee keer zo ver uit elkaar lagen als normaal. Binnen werd me verteld dat ik als 24e binnengekomen was van de tochtrijders. In totaal zouden er maar 69 rijders van de ruim 10.000 de tocht uitrijden.

Iemand belde voor mij een taxi om me naar het pension terug te brengen. Spoedig zag ik daar mijn Halsterse schaatsmaatjes en Jos van der Maas die allemaal al op bed lagen want in bed was het warmer dan in de woonkamer. Ze hadden zich toch wel een beetje ongerust over mijn lot gemaakt.

In ons kosthuis was geen douche aanwezig. Na wat water op een petroleumstelletje warm gemaakt te hebben waste ik me in de onverwarmde keuken alleen maar de vaseline van het gezicht, de rest zou thuis wel aan de beurt komen. Na mij omgekleed te hebben ging ik weer naar buiten, naar een café om de hoek, om de afloop van de tocht naar huis te bellen. Het thuisfront had de hele dag ook de verschrikkelijke beelden op de TV gezien. Ze waren ook erg ongerust omdat een telefoontje zo lang uitbleef. Er was vast wat mis gegaan met mij. Dat ik hem zou uitrijden daar hadden ze geen moment aan gedacht. Broer Marco nam de telefoon aan. Hij was zo verbaasd of ongelovig dat hij maar drie woorden uit kon brengen: ja, nee en goed. Dat was een domper. Ik had eigenlijk iets meer enthousiasme verwacht.

Eenmaal in bed was ik te vermoeid om te slapen. Vermoedelijk omdat mijn geteisterd lichaam nog te druk bezig was met het herstellen van de schade. Na een uurtje kreeg ik stekende pijnen in mijn tenen. Ik betastte de pijnlijke tenen en ze bleken gevoelloos. Drie tenen waren licht bevroren. Met die steken kon ik al helemaal niet meer slapen. Toen ik ‘s morgens opstond waren mijn voeten helemaal opgezwollen. Dus mijn klompsloffen weer maar aangedaan. Dat was trouwens niet het enige, overal verging ik van de spierpijn. Mijn broek en kousen kon ik zelf niet aan doen. Piet Kint heeft me geholpen mijn broek en kousen aan te doen. Mijn rug kreeg ik slechts in etappes omhoog. Heel mijn lijf was beurs van het vallen, vooral mijn heupen zagen er uit. Met de hulp van mijn sportmakkers ben ik weer met de trein naar huis gekomen. In die trein bekeek ik nog eens mijn schaatsen en het bleek dat er behalve de kromming ook nog drie klinknagels onder de hak helemaal los zaten.

Voor een Middeleeuwse boetetocht had men niet iets zwaarders kunnen bedenken.

Drie weken lang heb ik met vocht in mijn knieën gezeten en een jaar lang heb ik niet op mijn ellebogen kunnen steunen. ‘Pijn is fijn’ hoorde echt niet tot mijn lijfspreuken. Het was de verschrikkelijkste Elfstedentocht uit de geschiedenis. Juist op de koudste dag van het jaar, in de strengste winter van de eeuw. Voor een Middeleeuwse boetetocht had men niet iets zwaarders kunnen bedenken. Het kon dus allemaal niet ongelukkiger. Des te groter werd daarom wel de verrichting aangeslagen. Dat ik de ultieme prestatie geleverd had merkte ik uit de reacties thuis en op mijn werk. Die dag zal ik nooit meer vergeten. Achteraf gezien is het voor mij toch een dag geweest met een gouden randje. Gelukkig heb ik er geen nadelige gevolgen aan over gehouden. Dankzij een gezonde rivaliteit met mijn schaatsmaatje Piet verzeilde ik niet roemloos in het naamloze leger uitvallers.

De kranten in die dagen waren unaniem in hun oordeel. Helletocht, moordende afvalrace, martelgang, afschuwelijke vernietigingsslag en nog andere koppen van gelijke strekking sierden de verslagen. Daarin werd ik ook al heilig verklaard. Ze schreven over de Halsterse ijsheilige. Ik voelde me er mee vereerd. Achteraf gaf men in de krant ook toe dat deze tocht eigenlijk niet had mogen doorgaan. Het zou onverantwoord geweest zijn vanwege de te barre omstandigheden.

Twee dagen later op maandag was ik weer enigszins bruikbaar voor de maatschappij en stond weer voor de klas. Van lesgeven kwam de eerste dagen gelukkig niet veel. Ik moest aan de leerlingen alles haarfijn uitleggen over de Elfstedentocht, zodat mijn lichaam enigszins kon herstellen.

Een maand later werden we gehuldigd in het dorpskoffiehuis door het bestuur van de Halstersche IJsclub, waar wij lid van waren. Mij werd een vulpen met inscriptie aangeboden. Weer een paar maanden later werd het Elfstedenkruisje toegestuurd. Het is nog kleiner dan een kwartje en het weegt maar 7 gram. Toch is het voor mij het kostbaarste kleinood dat ik ooit met mijn sport verdiend heb.

Van al de Zuid-Nederlandse deelnemers ben ik de enige toerrijder die de tocht uitgereden heeft. Twee jaar lang was ik niet meer geïnteresseerd in de Elfstedentocht. Het Elfstedenvuur was door al die nare ervaringen gedoofd. Maar daarna begon het toch weer te branden. Namen van stadjes, meren, vaarten en buurtschappen begonnen weer bij mij te leven. Wie eenmaal leeft in de ban van de Elfstedentocht raakt er nooit meer van los. Het blijft fascineren.